Naar de navigatie

Historie

Het ontstaan van Domeinen

Verscheidene rechten die nu van de staat zijn, waren vroeger in handen van machtige heren, zoals hertogen of graven, of van kerkelijke instellingen (de dominus). Zij hadden in hun gebied rechten (domein) vooral op het gebied van bestuur en rechtspraak, in eigendom. Daarnaast konden zij aanspraak maken op een enorme verscheidenheid aan andere rechten en aan goederen. Het hele complex wordt samengevat onder de term domeinbezit.

Dit alles kon een behoorlijke hoeveelheid inkomsten opleveren. De aard van deze domaniale (heerlijke) rechten en goederen kon velerlei zijn. Vondsten, onbeheerd aangetroffen goederen, nalatenschappen en bijvoorbeeld bijenzwermen. Behalve rechten konden domaniale (heerlijke) goederen van belang zijn. Gronden, molens, hoeven, heffen van belastingen over het houden van dieren, het jagen, pachten, tienden (winstbelasting) vormden een hoofdbestanddeel van de inkomsten. Het beheer van de domeinen was in handen van rentmeesters en ontvangers.

 

Het windrecht behoorde in vroeger tijden tot de regalia, de rechten die veelal in handen waren van de landheer. Alleen hij was gerechtigd een molen te laten bouwen en zo het recht van de wind te gebruiken. Het recht van de wind werd tegen gunsten en diensten ook wel beleend. Molenaars konden tegen betaling van een jaarlijks bedrag, het zogenaamde windgeld, dit recht pachten. Veelal werd de molen dan ook doorverpacht en verkreeg de molenaar een windbrief. Een belangrijk gevolg van het windrecht was dat het niemand was toegestaan in de buurt van de molen iets te bouwen of op te richten, wat voor windbelemmering zou kunnen zorgen. Het windrecht zorgde ervoor dat molens herkenbaar moesten zijn en voorzien moesten zijn van een naam. In de Zaanstreek kozen veel molenaars voor de naam van een dier. Door een afbeelding van dit dier op de molen te plaatsen wisten ook analfabeten welke molen bedoeld werd.

 

Aan het windrecht en het recht van molendwang kwam in 1798 tijdens de Bataafse republiek een einde door de opheffing van de regalia.

 

In 1795 werd de Domeinraad - door de Franse inlijving van Nederland (Bataafse Republiek) - gedwongen haar functie neer te leggen. De domeinen werden geconfisqueerd en het beheer werd overgenomen door administrateurs. Daarna bracht men het beheer der domeinen onder bij het Ministerie (departement) van Financiën. In 1814 werd het beheer der domeinen gescheiden van de registratie en opgedragen aan afzonderlijke rentmeesters.

 

Vanaf 1 januari 1819 werd het beheer van de domeinen op provinciaal niveau opgedragen aan een directeur van de registratie en domeinen. Per
1 januari 1824 werden de directies opgeheven en hun taken opgedragen aan het Amortisatie Syndicaat (een fonds om staatsschulden te saneren). Bij Koninklijk Besluit van 22 maart 1841 no. 112 (zie illustratie) werd de Commissie tot afdoening der zaken van het Amortisatiesyndicaat per 1 mei 1841 opgeheven. Met ingang van dezelfde datum werd een Agentschap van het Ministerie van Financiën ingesteld.

 

Periode 1841- 2006

Domeinen vertegenwoordigt dus al sinds 1841 de Staat als privaatrechtelijk vermogensbeheerder en als eigenaar van gebouwen, gronden en objecten. In 2006 splitste Domeinen zich in Domeinen Onroerende Zaken en Domeinen Roerende Zaken. Beide werden als agentschap van het Ministerie van Financiën een baten-lastendienst. Dit houdt in dat Domeinen OZ en Domeinen RZ beide en onafhankelijk van elkaar doelmatig en kostendekkend moeten opereren. Een behoorlijke omslag om van een regulier functionerende overheidsdienst naar een semi-zelfstandige organisatie over te gaan. In 2009 fuseerde Domeinen Onroerende Zaken met het Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf (GOB, ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) en ontstond het RVOB (Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf). Domeinen leeft nu voort in alleen Domeinen Roerende Zaken.